|
De 18e eeuw in Engeland
schermleraren op kermissen Rond het begin van de 18de eeuw had de Britse boerenbevolking zo’n plezier in het boksen gekregen dat de schermleraren uit de grote steden ook belangstelling voor dit “ongewapend vechten” begonnen te vertonen. Deze schermleraren vertoonden namelijk hun kunsten tijdens de kermissen die zij zomers afreisden. Naast het onderdeel schermen en verdedigen met de lange en korte stok, gingen zij ook het ongewapend vechten vertonen. James Figg was een van de leidende schermleraren uit Londen. Hij demonstreerde het ongewapend gevecht aan zijn voorname cliëntèle. James Figg kan gezien worden als een baanbreker voor de bokssport, zonder dat hij de sport op een hoger peil bracht. Het boksen was destijds niet veel meer dan een veredelde vorm van straat vechten, een combinatie van vuistvechten en worstelen. Men bestreed elkaar in een ring met een middellijn van plusminus 10 à 20 meter.
|  | 1719 - 1824 De ring was hoofdzakelijk ingevoerd om het spektakel te vergroten, men kon immers niet onbeperkt van elkaar weglopen. Bijna alles was geoorloofd. Van 1719 tot 1824 was, met korte inzinkingen buiten beschouwing gelaten, de bokssport de nationale sport in Engeland.
| Jack Broughton In 1740 werd Jack Broughton kampioen. 1743 Hij was de man die het boksen op een hoger plan bracht. Hij voerde o.a. in 1743 het gebruik van handschoenen in. Tevens maakte hij in datzelfde jaar de eerste schriftelijke reglementen, welke ruim een eeuw later (1868) werden aangevuld door Chambers in opdracht van de Markies van Queensberry. Het uit 229 artikelen bestaand reglement, bekend onder de naam Queensberry-regels, vormt nog steeds de grondslag voor alle reglementen; ook die van de NBB. Broughton was de man die vele technische veranderingen invoerde, o.a. het beenwerk, de stijl van stoten, het achteruitgaan i.p.v. het steeds maar doorlopen. Ook hij bracht het denkbeeld in de bokswereld, dat men in eerste instantie moest trachten ongeschonden te blijven en daarna de ander te treffen. Broughton verloor zijn titel aan Slack. Deze nederlaag maakte gedurende korte tijd een einde aan de belangstelling van vooraanstaanden voor het vuistvechten. | Het prijsvechten In die tijd streed men in de prijsring niet om beurzen of een vooruit vastgesteld loon, doch alleen om de inzet. Wie won kreeg alles en wie verloor kreeg niets. De inzet werd meestal niet door de bokser gedaan althans niet geheel. Het grootste bedrag werd opgebracht door zijn beschermers en vrienden. Eerdergenoemde nederlaag van Broughton tegen Slack kostte de hertog van York 1000 pond sterling aan weddenschappen. Het prijsvechten vond plaats in de openlucht op een grasveld. Het strijdperk was een door 8 palen bebakend vierkant, met om de palen heen 2 touwen gespannen. De afmetingen van het strijdperk waren tenminste 24 bij 24 engelse voeten (7,32 meter) De boksers hadden een ontbloot bovenlichaam en gekleed in een korte broek, kousen en atletiekschoenen. De handen waren onbedekt. Elke bokser werd bijgestaan door een “second” en een “bottleholder”, welke belast waren met het verzorgen van water enz. De boksers kozen elk een “umpire” en samen een scheidsrechter, die tevens belast was met het tijd waarnemen. Om de keuze van de hoek werd geloot in verband met de invloed van wind, regen of zon. Na het handen geven, hetgeen in het midden van de ring geschiedde, verliet iedereen behalve de boksers de ring en begon het gevecht. In tegenstelling tot hetgeen we nu gewend zijn, duurde het gevecht net zo lang tot een van beide boksers overwonnen was. De boksers wisselden uitsluitend stoten boven de gordel totdat een der boksers kans zag tot het maken van een worp. Gelukte de worp, waarbij aangrijpen beneden de gordel verboden was, dan staakte de scheidsrechter de ronde. De boksers werden naar hun hoek geleid door de helpers. Na een halve minuut riep de scheidsrechter tijd voor de volgende ronde. De bokser die op de achtste seconde daarna nog niet in het midden van de ring was of opgaf had de strijd verloren. Moest de strijd worden gestaakt door bijvoorbeeld invallende duisternis, dan werd de wedstrijd onbeslist verklaard. Duur en aantal ronden waren onbepaald. Aanvankelijk werden natuurlijk allerlei stoten, slagen en weringen beproefd, voornamelijk afkomstig van de technieken in het schermen. Goede boksers ontwikkelden systemen, vervolmaakte stoten en vonden nieuwe uit. Oorspronkelijk beschouwden de toeschouwers het wijken als lafheid, vandaar dat de boksers hun voeten stevig op de grond plantten, plat en loodrecht op richting van elkaar. Broughton voerde echter het ontkomen in door het beenwerk. Zijn leerling Hunt werd beroemd door zijn achteruit en zijstappen. Dutch Sam, een in Londen wonende bokser afkomstig uit Amsterdam, voerde de opstoot in. Als eindstoot was vooral de maagstoot bekend. De bewusteloosheid veroorzakende kaakstoot gold als een toevallig geluk. Het blote vuistgevecht werd meer en meer door de autoriteiten tegengewerkt. Het vriendschappelijk boksen van liefhebbers met behoorlijk gevulde handschoenen, vond steeds meer een ingang en werd door de gezagdragers ondersteund.
| Clandestiene gevechten Op allerlei clandestiene manieren trachtte men echter het prijsvechten te behouden. Voor de wedstrijden werden daartoe eenzame locaties gekozen, welke geheim werden gehouden. De boksers en hun helpers wisten vaak niet waar zij moesten uitkomen. Zij en de wedders trokken van een afgesproken punt in de stad naar de plek, die door de geldelijk meest belanghebbende was uitgekozen. Daagde de politie op dan vluchtte men haastig. Natuurlijk drukte dit verborgen en heimelijke gedoe zeer op het karakter van de beroepsbokser. De boksers zelf bleven voor het overgrote deel eenvoudige kerels. Doch hun omgeving vertoonde een steeds lager zedelijk gedrag. Op gokken beluste edellieden, een aantal bookmakers en het slag mensen dat parasiteerde op de sport, vormden hoofdzakelijk de toeschouwers.
| de Markies van Queensberry 1868 Intussen werd het boksen met handschoenen tussen amateurs steeds gebruikelijker. Bovendien hadden reeds enige demonstraties plaatsgevonden tussen beroepsboksers met het gebruik van handschoenen. De markies van Queensberry loofde in 1867 bekers uit voor wedstrijden in drie gewichtsklassen. Zijn vriend, de heer Chambers, stelde voor deze wedstrijden een eenvoudig reglement vast, waarin: · de boksers naar hun lichaamgewicht werden ingedeeld; · het worstelen was verboden; · de partij ging bestaan uit een vastgelegd aantal ronden van een bepaalde duur; ( 2 ronden van 3 minuten en 1 ronde van 4 minuten met tussen elke ronden 1 minuut rust) · de arbitrage in handen werd gelegd van 1 scheidsrechter en 2 touwrechters; · de punten werden toegekend voor de uitvoering van bepaalde technieken, zowel in de aanval als in de verdediging; · een overwinning werd behaald door het verzamelen van het hoogste aantal punten; · bij gelijk aantal punten won hij die de meeste aanvalstechnieken had laten zien; · gebokst werd met handschoenen. Ruw of hard optreden wekte ontstemming op bij het publiek, terwijl vaardigheid, handigheid snelheid en een mooie stijl de bewondering oogstte. De Queensberry regels hadden ook invloed op het prijsgevecht. Wilde men toestemming verkrijgen voor het houden van een wedstrijd tussen beroepsboksers, waarbij het publiek tegen betaling werd toegelaten, dan moest er – zij het met enige aanpassing - volgens de Queensberry regels worden gebokst. Dit veroorzaakte nogal wat ergernis aan de zijde van de beroepssport, daar deze regels waren opgesteld voor de amateur boksen en niet voor het professionele boksen. Aan drie voorwaarden moest uiteindelijk worden voldaan: · Het boksen diende te geschieden met handschoenen; · De duur van de partij moest van tevoren worden vastgelegd over een aantal ronden (soms wel vijftig) van een bepaalde tijdsduur. · Het doel van de wedstrijd moest zijn het behalen van zoveel mogelijk punten, in plaats van het toebrengen van lichamelijk letsel. |
|